Invloed van de vergrijzing op de woningmarkt
Over tien à vijftien jaar slaat de vergrijzing in ons land hard toe. De kop van de na-oorlogse geboortegolf, de zogenaamde ‘babyboomers’ geboren tussen 1945 en 1960, is inmiddels de 55 gepasseerd.

Op dit moment is bijna 14% van de bevolking (2,2 miljoen personen) 65 jaar of ouder. Het hoogtepunt van de vergrijzing ligt naar verwachting rond 2040, wanneer 23% van de bevolking (4 miljoen personen) ouder dan 65 zal zijn. De vergrijzing heeft natuurlijk grote gevolgen voor de Nederlandse economie. Verwacht wordt dat het gemiddeld besteedbaar inkomen van de toekomstige 65-plusser (geboren tussen 1945 en 1960) fors zal toenemen ten opzichte van het inkomen van de huidige 65-plussers. Desondanks zal pensionering gepaard blijven gaan met een inkomensachteruitgang. Bovendien is de vermogensontwikkeling in de toekomst naar verwachting minder rooskleurig. De personen die momenteel jonger zijn dan 55 jaar kunnen waarschijnlijk minder sparen voor hun oude dag, moeten zich dieper in de schulden steken om een woning te kunnen kopen en lijken minder hypotheek af te lossen. Via verschillende kanalen zal de woningmarkt de effecten van het ouder worden van onze bevolking ondervinden. Zo prefereren veel ouderen zo lang mogelijk te blijven wonen waar ze nu wonen. De generatie ouderen van de nabije toekomst lijkt dat zonder veel problemen te kunnen realiseren. Dit zou de doorstroming op de woningmarkt echter belemmeren, met een geringere dynamiek tot gevolg. De noodzaak voor het gericht opvoeren van de nieuwbouwproductie wordt daarmee alleen maar groter. De minder gunstige vermogens- en inkomensvooruitzichten voor de jongere generaties(geboren na 1960)kunnen hen ertoe dwingen na hun pensionering hun woning (deels) te gaan ‘opeten’. Dit zou op lange termijn kunnen leiden tot een vergroot koopwoningaanbod (en een grotere vraag naar huurwoningen). Een deel van de koopwoningvoorraad zou dan dus wellicht moeten worden getransformeerd tot huurwoningen.

Voor meer informatie: Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek